Twee dagen op Snæfellsnes

De peninsula net boven Reykjavík

Snæfellsnes ligt op een paar uur rijden van Reykjavík. Onderweg verandert het landschap, zoals gewoonlijk in IJsland, om de zoveel kilometer. Het eerste deel van de route volgen we de 1, zoals we gewend zijn, om na Borgarnes de 54 aan te houden tot het hoogtepunt van Snæfellsnes; Snæfellsjökul. Dit is de gletsjer gelegen op de vulkaan op het uiterste puntje van Snæfellsnes. Maar de peninsula in West-IJsland heeft meer verrassingen, gekleurde bergen, een schitterende kloof en als kers op de taart krijgen we een waar noorderlicht schouwspel.

De Raudfeldar Canyon

Na een korte stop waar we ons vergapen aan de gekleurde bergen op Snæfellsnes (niet zo mooi als die in Landmannalaugar, maar een goed alternatief) zien we een parkeerplaats vol met auto’s. We zijn eigenlijk opzoek naar een manier om het brede strand op te komen maar bij de parkeerplaats zien we iets wat zich het beste beschrijft als een scheur in de rotsen. Op de rem en die parkeerplaats op. De grot is vernoemd naar een trol, het kan ook haast niet anders in IJsland, die zo af en toe nog in de grot te vinden is. Op onderzoek uit dus!

Over de boven het water uitstekende stenen lopen we de Raudfeldar canyon binnen. Na een paar meter wordt het iets breder en is er ruimte om ‘droog’ te staan. De paar mensen die hier met ons staan, kijken tevreden omhoog maar wij willen meer. We zijn toch in een canyon, laten we kijken hoe diep hij gaat dan! Via de droog liggende stenen en rotsen is het mogelijk, met een beetje lef, om dieper naar binnen te klimmen. Pas wel op, want hoe dieper je komt des te meer dode dieren je tegen komt. Vooral meeuwen maar wij kwamen ook iets tegen dat nog het meeste lijkt op een wezel. Uiteindelijk wordt het klauter avontuur abrupt afgebroken door een waterval van bijna drie meter hoog. Hoewel er een touw langs hangt, komen wij tot de conclusie dat we niet gekleed zijn om door een waterval omhoog te gaan.

Uitdaging: Klim jij verder de Raudfeldar Canyon in? Dan zien we graag de foto’s (of video’s) van hoe het er uitziet na de waterval. Alvast een tip: trek iets aan waarin je nat mag worden.

Vissers historie in Dritvik

Dritvik was vroeger dé vissershaven van IJsland. Elke zomer kwamen er van over het hele eiland vissers deze kant op om te vissen in de rijke wateren rondom Snæfellsnes. De natuurlijke haven kwam tot leven met honderden vissers en op basis van de hoeveelheid vis die ze vingen was Dritvik de grootste haven van IJsland. Nu is er nagenoeg niets meer van over, een mooie baai met nog een enkel stenen muurtje. Vooral de wandeling er naartoe is mooi, met de Snæfellsjökul op de achtergrond loop je door een lavaveld met uitzicht op de oceaan. Op een heldere dag is zelfs Reykjanes te zien.

Meer mensen lijken te komen voor Djúpalónssandur. Een stenenstrand waar een Engelse vissersboot is gestrand en 14 van haar 19 bemanningsleden zijn omgekomen. De boot licht nu verspreid over het strand en geeft een rauwe look aan het al niet te zachte strand. Maar er licht meer historie op Djúpalónssandur, vissers moesten hier hun krachten tonen om zich überhaupt visser te mogen noemen en mee aan boord van één van de boten te mogen. Aan het begin van het strand liggen vier stenen van verschillende gewichten; Fullsterkur (sterk, 154 kg), Hálfsterkur (halfsterk, 100 kg), Hálfdrættingur (zwakkeling, 54 kg) en Amlóði (nutteloos, 23 kg). Om mee aan boord te mogen moest Hálfdrættingur minimaal (tot heuphoogte) opgetild kunnen worden. En gelukkig lukte Lars dat, mocht het reizen niet meer bevallen dan kan hij altijd nog mee aan boord van een IJslandse vissersboot.

Lavavelden van Hellissandur

Na Dritvik vervolgt de weg tot het puntje van de peninsula dwars door de lavavelden van de vulkaan. Het gebied rondom de Snæfellsjökul is een nationaal park. Het is mogelijk om de vulkaan op te rijden tot aan de gletsjer, hiervoor wordt een 4×4 auto geadviseerd. Wij hebben de Snæfellsjökul alleen vanaf een afstand bewonderd en ons vooral gericht op de lavavelden er omheen. Ook hebben we de iets verderop gelegen krater links laten liggen. De kans op het noorderlicht was namelijk groot en dit had bij ons voorrang. Dus de camping op, aan de stroom en zorgen dat alle camera apparatuur opgeladen is en klaar staat om in actie te komen. En met succes, het leek wel een lichtshow. Die in de onderstaande video nog beter tot zijn recht komt.

Haaienmuseum Bjarnarhöfn

Als we Snæfellsnes af rijden valt ons oog op een bord met daarop een haai afgebeeld, het Bjarnarhöfn Shark Museum. Opeens komt de tip bovendrijven die we hebben gehad “een aardig museum, maar vooral de plek om de gefermenteerde haai te proberen”. Met die gedachte slaan we de weg af, op naar het haaienmuseum. De entree is 1.100 kronen (ongeveer €7,50). Het museum zelf stelt inderdaad niet veel voor. Het is meer een privéverzameling met een aantal mooie items (van opgezette vogels en zeehonden tot oud materiaal). Wat het museum van Bjarnarhöfn vooral een bezoek waard maakt is de presentatie. Met veel enthousiasme wordt er verteld over hoe en waarom haaien worden gegeten. En dat het fermentatie proces nodig is om de haai überhaupt eetbaar te maken. Na de presentatie is het tijd om te proeven en zo gek smaakt het eigenlijk niet eens! We zouden bijna zeggen dat het lekker is. Nu komt misschien het leukste van het museum, er wordt nog steeds gefermenteerde haai geproduceerd dus achter het museum hangen stukken haai te drogen.


«

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *